Wexalia en De Schelling
Terschelling ontstond in de middeleeuwen toen de zandplaat De Schelling vastgroeide aan het oostelijker gelegen eiland Wexalia, het huidige Oost-Terschelling.
- Een oude naam: de naam Wexalia raakte al in de middeleeuwen in onbruik; op kaarten uit de 17e en 18e eeuw heet het eiland Der Schelling en pas rond 1810 Ter Schelling.
- Eerste bewoners: de oudste bewoningssporen dateren van rond 850, toen op een heuvel bij Striep een houten kerkje werd gebouwd; die heuvel is nu het Strieper kerkhof.
- Dorpen op de duinruggen: de oude dorpen, zoals Hee, Midsland, Landerum, Formerum, Lies en Hoorn, ontstonden op oude duinruggen, met akkers op de hogere grond en gemeenschappelijke weiden op de kwelders.
- De vloed van 1287: vóór de stormvloed van 1287 kon je vanaf de Friese kust te voet naar Hoorn lopen; daarna was die doorgang verdwenen en werd West-Terschelling de belangrijkste plaats.
- Verdwenen dorpen: door stormvloeden zoals de Sint-Elisabethsvloed van 1421 verdwenen in het westen dorpen als Wolmerum en Stortum in zee, terwijl aan de oostkant het eiland groeide en Oosterend ontstond.

Oost en West: twee werelden op één eiland
Vanouds bestaat er op Terschelling een tegenstelling tussen het op zee gerichte West-Terschelling en de boerendorpen in het oosten.
- Het oudste gebouw: de Sint-Janskerk in Hoorn is het oudste nog bestaande gebouw van het eiland; al in 1230 stond hier een kapel.
- Twee besturen (1612): in 1612 werd het eiland gesplitst in West-Terschelling en Oost-Terschelling, met een eigen drosthuis in Midsland; pas na de Franse tijd werd Terschelling weer één gemeente met West als hoofdplaats.
De kerk van Midsland: de Meslânzer kerk uit 1880 verving de middeleeuwse Willibrorduskerk, die wegens bouwvalligheid werd afgebroken.
- Drie dialecten: in West spreekt men Westers, in het oosten Aasters en in Midsland het Hollands getinte Meslânzers.
De laatste molen: De Koffiemolen uit 1836 werd in 1876 naar Formerum verplaatst en is de enige overgebleven molen van het eiland.

De Brandaris en de gouden eeuwen van de zeevaart
Met de opkomst van de Zuiderzeehavens werd het Vlie een belangrijke zeestraat, en West-Terschelling groeide uit tot een dorp van zeelieden.
- Een baken uit 1323: rond 1323 liet de Hanzestad Kampen bij West-Terschelling een baken bouwen om schepen veilig door het zeegat te leiden.
- De Brandaris (1594): de eerste toren verdween rond 1570 in zee, en in 1594 verrees de huidige Brandaris, de oudste nog bestaande vuurtoren van Nederland.
- Vooruitstrevend licht: in 1837 kreeg de Brandaris als eerste Nederlandse vuurtoren een draaiende fresnellens, en in 1907 werd het licht elektrisch.
- Willem Barentsz: de beroemde zeevaarder Willem Barentsz werd rond 1550 in Formerum geboren; tijdens zijn tochten naar het noorden ontdekte hij Spitsbergen en overwinterde hij op Nova Zembla; hij overleed in 1597 op de terugreis.
Commandeurs en walvisvaarders: veel Terschellingers voeren als kapitein of commandeur ter walvisvaart; museum 't Behouden Huys is gevestigd in twee oude commandeurshuizen en vertelt hun verhaal.
De Engelse furie van 1666
Tijdens de Tweede Engelse Oorlog werd West-Terschelling getroffen door een van de zwaarste rampen uit zijn geschiedenis.
- Holmes's Bonfire: op 19 augustus 1666 vernietigde de Engelse admiraal Robert Holmes een grote koopvaardijvloot op het Vlie, en een dag later trokken zijn soldaten brandschattend door West-Terschelling.
- Een dorp in de as: van de bijna 300 huizen bleef vrijwel niets over; alleen de Brandaris en de toen bijna nieuwe Westerkerk uit 1663 overleefden de brand.
- Snelle wederopbouw: dankzij een loterij, hulp van doopsgezinden van de vaste wal en belastingvoordelen, en met een grote rol voor dominee Johannes Grevenstein, werd het dorp binnen enkele jaren herbouwd.
- Sporen in de grond: de zwarte brandlaag van 1666 zit nog altijd zo'n meter diep in het duinzand onder West-Terschelling; de meeste fraaie huizen in het oude dorp dateren van na de brand.
Loodsen, redders en schipbreuken
De gevaarlijke zandbanken rond Terschelling maakten het eiland tot een thuishaven voor loodsen, redders en bergers.
- Haven en loodswezen: pas in 1826 kreeg West-Terschelling een echte haven, en in 1835 werd het eiland een vestigingsplaats van het Loodswezen; later volgden onder meer de Kustwacht en de zeevaartschool Willem Barentsz.
Het drenkelingenhuisje: in 1863 werd op de verlaten noordoostpunt het Drenkelingenhuisje gebouwd, met dekens en proviand voor schipbreukelingen; na een storm in 1962 verdween het en in 2000 werd het herbouwd.
Schatten van de zee: in Wrakmuseum De Boerderij in Formerum zie je wat door de eeuwen heen uit gezonken schepen rond het eiland werd opgedoken. Wachten op wie niet terugkwam: het Zeeliedenmonument bij de haven toont een zeemansvrouw die over zee uitkijkt, een eerbetoon aan alle Terschellingers die op zee bleven.

Zandplaten, bossen en cranberry's
Tot rond 1850 liep het eigenlijke eiland van West tot Oosterend, met aan beide kanten grote zandplaten die pas later aan Terschelling vastgroeiden.
De Noordsvaarder: rond 1865 groeide de zandplaat De Noordsvaarder in het westen aan het eiland vast, nadat het groene strand ertussen verzandde.- De Boschplaat: enkele decennia later volgde in het oosten de veel grotere Boschplaat, geholpen door stuifdijken die Rijkswaterstaat aanlegde.
Bossen tegen het stuifzand: tussen 1910 en 1940 legde Staatsbosbeheer bij West, Formerum en Hoorn grote dennenbossen aan, zoals het Hoornse bos, deels ook voor de houtproductie.- Een aangespoeld vat (1845): volgens het verhaal spoelde in 1845 een vat met bessen aan dat een jutter in de duinen achterliet, en zo kwam de cranberry op Terschelling; in 1868 werden de planten door een botanicus ontdekt.
De bessenschuur: in De Bessenschuur, ruim 85 jaar geleden gebouwd naar Amerikaans model, werden de geplukte cranberry's verzameld en gesorteerd; boven is een klein museum.

De Tweede Wereldoorlog
Voor de Duitsers was Terschelling van groot strategisch belang in de lucht- en zeeoorlog boven de Noordzee.
- Bezet (1940): op 16 mei 1940 kwamen de eerste Duitse militairen op het eiland, dat later tot spergebied werd verklaard; toeristen waren niet meer welkom.
- De Tigerstelling: ten oosten van West-Terschelling bouwden de Duitsers de Tigerstelling, een van de grootste radarinstallaties van de Atlantikwall, met commandobunker Bertha, en in totaal zo'n 80 bunkers.
Uitkijk op het Kaapsduin: op het Kaapsduin, met 31 meter het hoogste punt van het eiland, staat nog een zendhuisje uit de oorlog.- Naar Friesland (1942): op 1 september 1942 werden Terschelling en Vlieland door de bezetter van Noord-Holland overgeheveld naar Friesland, en daar is het bij gebleven.
- Laat bevrijd: pas op 29 mei 1945, ruim drie weken na de capitulatie, gaven de Duitsers op Terschelling zich officieel over aan Britse troepen.
Toerisme en Oerol
Vanaf de jaren zestig werd het toerisme de belangrijkste bron van inkomsten op Terschelling, en het eiland veranderde mee.
- Van boerderij naar camping: voor veel kleine boerenbedrijven was het toerisme een uitkomst, en op veel plekken ontstonden campings bij de boerderijen.
- Aan zee: bij West aan Zee, Midsland aan Zee en Formerum aan Zee verrezen bungalows en appartementen, en ook de haven van West groeide sterk.
- Oerol (1982): in 1982 begon Joop Mulder het festival Oerol, dat het hele eiland elk jaar in juni tot podium maakt voor theater en landschapskunst.
De Streken: het landschapskunstwerk De Streken bij Oosterend, dat met het getij meebeweegt, is een eerbetoon aan Joop Mulder.












